Joop Atsma, Tweede Kamerlid CDA
Datum: november 2007
De Waddenzee en het Waddengebied is regelmatig onderwerp van discussie. Niet allen in het noorden, maar ook in Den Haag. Politieke partijen laten vaak totaal verschillende geluiden horen. Voor mij staat vast dat een goed en verantwoord Waddenbeleid staat en valt met de mogelijkheden die de regio krijgt om zich te ontwikkelen. Dat betekent geen groot hekwerk rond de Waddengemeenten, maar mogelijkheden voor woningbouw en nieuwe werkgelegenheid. Bewoners van dit prachtige stukje Nederland weten als geen ander hoe ze hun eigen regio in stand kunnen houden. Dat doen ze samen met de gemeente- en provinciebesturen. De rijksoverheid moet zich volgens mij dan ook niet teveel bemoeien met de vraag wat er wel of niet kan in het Waddengebied. Ik ben daarom blij dat bij de recente vaststelling van de Waddenwet, officieel bekend als de Planologische Kernbeslissing Waddenzee, aan de gemeenten ruimte wordt geboden. In steden als Den Helder en Harlingen mag in meerdere bouwlagen worden gebouwd. Niet elk complex met meer dan drie verdiepingen is op voorhand verboden. Bovendien is het mogelijk geworden dat de veerhaven van Den Helder wordt verplaatst en ook is een zeewaartse uitbreiding van de Harlinger haven mogelijk. Dat laatste gebeurt vanzelfsprekend alleen als de bestaande havencapaciteit onvoldoende is. Dat de vaargeulen van en naar de havens voldoende diep moeten zijn, spreekt voor zich. Even leek het erop dat al deze ontwikkelingen door de Waddenwet onmogelijk zouden worden gemaakt. Na lang overleg heeft de overgrote meerderheid van zowel de Tweede als de Eerste Kamer het licht op groen gezet. Ik ben daar blij om. Alleen als de dynamiek in Waddensteden en -dorpen wordt gegarandeerd, als ruimte wordt geboden, blijft de dynamiek van het Wad gewaarborgd.